Vergeven, hoe?

Stel, iemand heeft je gekwetst en je kunt het niet vergeten. De pijn was intens, zo intens dat je het nog steeds voelt, dat het in je geheugen gegrift staat. De pijn komt steeds omhoog als je er aan denkt of de persoon ziet die het betreft.

Kan van ons gevraagd worden dat we vergevingsgezind zijn, dat we vergeven, terwijl we ons nog diep gekwetst voelen? Met onder andere deze vraag willen we ons hier bezig houden. De opbouw is als volgt. In de inleiding wordt gesteld dat ‘vergeven’ niet iets vanzelfsprekends is; hoe moeilijk vergeven is blijkt wel uit een passage uit het boek “De zonnebloem” van Simon Wiesenthal. In drie hoofdstukken wordt achtereenvolgens ingegaan op drie centrale vragen: vergeven en de relatie met de Ander (God), de anderen en mezelf. Daarbij zijn de fasen weergegeven die zich voordoen wanneer vertrouwen is geschonden en het pad van vergeving wordt bewandeld. Zelfgenezing is een belangrijke stap op dat pad. Vervolgens wordt de werking van de spirituele wetten van de Morele Evolutie aangegeven  zoals die door Hazrat Inayat Khan zijn gememoreerd. Het (her)vinden van verbondenheid is de sleutel die de deur tot (zelf)vergeving kan openen. Verzoening is niet altijd mogelijk. Twee verhalen over verloren zonen vertellen ons dat ‘thuiskomen’ bij een vader mooi kan zijn. Tenslotte blijkt dat vergeven niet iets vanzelfsprekends is, maar dat we wel veel kunnen leren dat ons kan helpen om dat pad te gaan: ‘Leer ons uw liefdevol vergeven’.

Inhoudsopgave:

Inleiding
Sorry
Simon Wiesenthal

I.      ‘Vergeven’ in de relatie tussen mij en de Ander (God)
De Bhagavad Gita
Zarathoestra
Koning David
Conclusie

II.      ‘Vergeven’ in de relatie tussen mij en de ander
Fasen die zich voordoen bij geschonden vertrouwen en het proces van vergeving

III.      ‘Vergeven’ in relatie tussen mij en mezelf
Conclusie

IV.      Slot
De verloren zoon
Leer ons uw liefdevol vergeven

V.      Bronnen

 Teksten uit Heilige Boeken over vergeven

Inleiding

Vergeven heeft te maken met een situatie waarin iemand je iets heeft aangedaan. Dagelijks kunnen we in talloze situaties terecht komen die we onaangenaam vinden, onprettig, en waarin we de rol van een ander als onplezierig ervaren. Zo kan iemand voordringen bij de kassa van de supermarkt, of bij het kopen van een kaartje voor een theater. Als we er iets van zeggen kunnen we een grote mond terug krijgen. Of het kan gebeuren dat je maar niet de kans krijgt om iets te zeggen, dat iemand je steeds de loef afsteekt, je steeds voor is. Als je er iets van zegt krijg je misschien ‘sorry’ te horen. We leven in een ‘sorry’-cultuur. Met het uitspreken van dat woord denkt men er van af te zijn. ‘Ik heb toch sorry gezegd?’ Het is natuurlijk beter dan niets. In dat soort situaties denk je niet direct aan het woord ‘vergeven’. 

Toen we het thuis aan tafel over dit onderwerp spraken zei mijn zoon van 12: “Nou, als iemand mij laat struikelen dan doe ik het terug, en dan heb ik hem vergeven!” Een prachtig voorbeeld van hoe het bij kinderen en misschien ook wel bij volwassenen kan werken. Het lastige is echter vaak dat wat je terug doet weer een reactie oproept, zodat je in een spiraal terecht kan komen waar je niet meer uit komt.

‘Vergeven’ is aan de orde in situaties van intense pijn, en waarbij er naar jou idee sprake is van onrecht. Er is je onrecht aangedaan, en dat kun je maar niet van je af zetten, het achtervolgt je.

Vergeven is niet iets gemakkelijks, is niet vanzelfsprekend. Vergeven is een van de moeilijkste, misschien wel de moeilijkste  taak die we in relatie tot onze medemens en onszelf hebben. We zijn als mensen niet altijd tot vergeven bereid en in staat. Soms is vergeven zelfs onmogelijk. In ieder geval is vergeven is niet vanzelfsprekend. 

In de Gayan staat:

Wanneer ge het pad der heiligen wilt gaan –
Leer dan eerst vergeven.

Simon Wiesenthal, de bekende Oostenrijker die als Jood in een Pools concentratiekamp terecht kwam, schrijft in zijn boek ‘De zonnebloem’ over een geweldig dilemma waar hij voor kwam te staan. Hij kreeg op een dag de opdracht om rommel op te ruimen in een geïmproviseerd ziekenhuis, waar gewonde Duitse soldaten van het Oostfront werden verpleegd.Terwijl hij bezig was vroeg een verpleegster hem mee te komen naar een bed van een jonge Duitse SS-soldaat, zo’n 22 jaar oud.. Hij was zwaar gewond en zag de dood voor ogen. De soldaat greep de hand van Wiesenthal, klampte zich eraan vast en vertelde Wiesenthal dat hij een Jood moest spreken. Hij moest zijn gruweldaden opbiechten aan iemand van het Joodse volk, zodat hem zijn daden konden worden vergeven. Anders kon hij niet in vrede sterven. Het verhaal dat deze soldaat vertelde was verschrikkelijk. Hij had samen met zijn medesoldaten een aantal Joodse inwoners van een Russisch dorp in een huis opgesloten en het huis in brand gestoken. Ze moesten schieten op ieder die wilde ontsnappen en hij had dat ook gedaan. Terwijl hij het vertelde beleefde deze soldaat de verschrikkingen opnieuw.

Hij pauzeerde en zei: “Ik weet dat ik iets verschrikkelijks heb gedaan. Ik verlangde ernaar met iemand van het Joodse volk hierover te praten en hem om vergeving te smeken. Ik weet dat ik iets heel moeilijks vraag, maar zonder antwoord kan ik niet in vrede sterven.” 

Er viel een stilte in de ziekenkamer. Hier waren twee mensen die vreemdeling waren voor elkaar. De een lid van een gewaand superras, dat er op uit was het ras waar de andere toebehoorde, het veroordeelde ras, te vernietigen. In deze situatie bij elkaar gebracht. stond Wiesenthal op en keek in de richting van de gevouwen handen van de soldaat. Tenslotte kwam hij tot een besluit en verliet hij de kamer zonder een woord te zeggen.

Wiesenthal overleefde het concentratiekamp maar hij kon de SS-soldaat niet vergeten. In zijn boek legde hij de vraag voor aan de lezer: ‘Wat zou jij hebben gedaan?’

Vele lezers hebben hun antwoord naar Wiesenthal gestuurd; de antwoorden van tweeëndertig beroemde mensen zijn gepubliceerd. De meeste waren het eens met Josek, een medegevangene, die zei: het is goed dat je het zo gedaan hebt, want een mens heeft niet het recht, de autoriteit, om in naam van iemand anders, die onrecht is aangedaan, te vergeven. Vergeving kan alleen gegeven worden door wie onrecht is aangedaan. En deze mensen waren dood en dus niet meer in staat om te vergeven. De enige die dan nog kan vergeven is God. Wiesenthal zag de gevouwen handen van de soldaat. Misschien zag hij dat deze soldaat al bij de juiste Persoon was aanbeland, en was zijn diepste gedachte: daar moet je zijn, bij God, en niet bij mij. Ik kan niet namens de gestorvenen vergeven.

De les die we er uit kunnen leren is dat we niet namens iemand anders kunnen vergeven. Voor iemand anders voelen of denken werkt niet. We kunnen niet oordelen over een vergevingsproces dat zich tussen andere personen afspeelt. We kunnen immers niet voelen wat de pijn is die iemand heeft aangedaan.

We zitten nu nog wel met een geweldig probleem. Deze Duitse soldaat had een oorlogsmisdaad begaan, een misdaad tegen de menselijkheid. Kunnen alle misdaden vergeven worden?

We willen ons nu concentreren op drie centrale vragen:

Laten we eens kijken naar wat de Heilige geschriften hierover zeggen.

I. Vergeving in de relatie tussen mij en de Ander (God)

Vergeeft God alle zonden?

In de Bhagavad Gita lezen we:

Al is een mens besmeurd
met de zonden van een heel leven,
laat hij van Mij houden,
vastbesloten,
volkomen toegewijd,
dat is voldoende.

Wie is die ‘MIJ’? Dat is de oorsprong, de onsterfelijke, Brahman, de Al-God die zich manifesteert in Al wat is, de goddelijke zijnsgrond van het bestaan. God is in alles aanwezig, m.a.w.: alles wat is is een manifestatie van de Oerbron. De gedachte van de Bhagavad Gita is dat je door te ‘zien’ in alles God kunt waarnemen, de essentie van het Zijn. Dit inzicht zal je los kunnen maken van de vergankelijke vormen, van het rad van geboorte en vernietiging, van je begeerten en gehechtheid. Als je hart met Brahman verenigd is zul je in dit leven nog van karma bevrijd worden en tenslotte tot Brahman komen.

Een allesdoordringende liefde voor alles wat is. En alles wat niet-liefde is, het kwaad, dat is in wezen niet echt, het is un-real, zoals de Cursus in Wonderen het uitdrukt. Er is een essentieel onderscheid tussen Knowledge en Perception; Knowlegde is de goddelijke kennis van de essentie van het Zijn, en die essentie is Liefde. Perception is onze menselijke waarneming, die bevangen kan zijn door ons ego. Het gaat er om Kowledge en Perception te leren onderscheiden. De Gita leert ons dat we bevrijd kunnen worden van onze zonden, van het kwaad, van onze ego-strevingen, door open te staan voor de liefde tot Brahman en daarin de goddelijke zijnsgrond te onderkennen.

Is dat niet te veel gevraagd? Is er dan geen kwaad dat te groot is om vergeven te kunnen worden?

Zarathoestra zegt:

Eens zal de strijd een einde nemen
en het Slechte zal vergaan
omdat het te lang het Betere in de ogen heeft geblikt.
Alleen het Zijn zal blijven.
Laten wij de Leugen overleveren in de handen der Waarheid!

Het Slechte heeft te lang het Betere in de ogen geblikt en het Slechte kan er niet meer tegen, smelt weg, zal vergaan. Alleen het Zijn zal blijven. Maar dat is wel met haast bovenaardse ogen bekeken. Ten koste van wat niet al zal het Slechte vergaan? Op den duur zal het Goede overwinnen, maar het Slechte kan veel leed en pijn aanrichten en kan vele mensenlevens kosten. Hoe moeten we nu omgaan met enerzijds de harde realiteit van de wereld van alledag, waarin het Slechte volop aanwezig is, en de Goddelijke vergeving die uiteindelijk voor ieder is weggelegd, immers: het Slechte zal vergaan, het Zijn zal blijven.

Laten we dan nu eens luisteren naar het Oude Testament, een verhaal over Koning David.

Nathan, de profeet, stond voor Koning David en vertelde hem een voorval. Het moest wel bijzonder zijn, want ook als profeet stap je niet zo maar op de gevreesde koning af.

Nathan vertelde:

Er waren in een stad twee mannen; de een was rijk en de ander arm. De rijke had zeer veel schapen en runderen, de arme had niets behalve één klein ooilam dat hij had gekocht en opgekweekt.

Eens kreeg de rijke man bezoek; en hij kon er niet toe komen één van zijn schapen of runderen te nemen en te bereiden voor de reiziger die bij hem was gekomen; dus nam hij het ooilam van de arme man en bereidde dat voor de man die bij hem gekomen was.

Toen ontbrandde de toorn van David zeer tegen die man en hij zeide tot Nathan: Zo waar de Heere leeft: de man die dit gedaan heeft, is een kind des doods.

Daarop sprak Nathan:

Gij zijt die man!”

Nathan zal David recht in de ogen gekeken hebben, het Slechte kon niet tegen het Betere, David zal zijn ogen neergeslagen hebben. Hij moest wel, zijn geweten ging spreken. Er zal vast en zeker een stilte gevallen zijn na die woorden. David zal er door overrompeld zijn geweest. Wat was er gebeurd?

Terwijl het oorlog was en de soldaten van David onder leiding van Joab strijd leverden tegen de Ammonieten, zat David thuis en wandelde hij in de koele lucht van de avond op het dak van zijn paleis. Een koning op het hoogtepunt van zijn macht. In een aangrenzende tuin ziet David dat een vrouw een bad neemt. Wat is ze mooi! ‘Wie is zij?’ vraagt David aan zijn dienaar. ‘Dat is Bathséba, de vrouw van Uria. Haar man is aan het front’. Die informatie had genoeg kunnen zijn om David zich van die vrouw te laten afwenden. Maar ze blijft in zijn gedachten en hij laat haar halen. Ze verschijnt op het paleis, geurend van het bad, en ze deelt met David het bed. Niet lang daarna zendt ze David een bericht: ‘ik ben zwanger.’

Bathseba
(Rembrandt van Rijn, 1633)

De ene daad lokt de andere uit. David zendt een bode naar Uria, hij moet komen, David wil weten hoe de strijd verloopt. Uria vertelt. Dan zegt David: ga nu maar naar huis, naar je vrouw, je zult wel naar haar verlangen na al die weken. Maar het is geen gebruik dat een soldaat in oorlogstijd bij zijn vrouw ligt, en Uria gaat niet naar huis maar hij gaat slapen voor de ingang van het paleis.

Uria wordt nog een keer geroepen, hij krijgt een maaltijd en wijn voorgeschoteld, veel wijn, hij wordt dronken gevoerd. Maar opnieuw gaat hij niet naar huis en legt hij zich te slapen bij de paleiswacht.

Dan meent David dat er niets anders op zit en hij laat Uria terug gaan naar de strijd, maar hij geeft hem wel een briefje mee voor Joab. Daarop staat: ‘Zorg dat Uria vooraan gaat in de strijd, en trek je dan van hem terug, zodat hij getroffen wordt en sneuvelt’. En zo gebeurt het. 

In de parabel van Nathan duidt de arme man op Uria en de rijke man op koning David. David had een harem vol vrouwen, maar hij nam de ene vrouw van Uria, Bathséba. En wat erger was, hij liet Uria ter dood brengen, een indirecte moord. David had als Oosters despoot ook Nathan kunnen laten doden, maar Nathan wist met zijn gelijkenis het hart van David te bereiken; hij gebruikte tegenover de vroegere schaapherder niet voor niets het beeld van het ooilam en de schapen. De wraakgedachte maakte plaats voor schuld en boete.

En Nathan spreekt dan de woorden die de God van Israël hem ingeeft. Zo zegt de Heere, de God van Israël: Ik heb u gezalfd tot koning over Israël en u gered uit de macht van Saul. Waarom, David, heb je gedaan wat kwaad was in de ogen des Heeren? Hoe heb je dit kunnen doen?

David sprak: ik heb tegen de Heere gezondigd. Nathan: de Heere heeft uw zonden vergeven, maar het zwaard zal van uw huis niet wijken.David erkent zijn schuld en God vergeeft. Dat het David ernst is blijkt wel uit de boetepsalm die hij toen schreef: psalm 51.

Door bijbelwetenschappers wordt gezegd dat het verhaal van David is opgenomen om zo sociaal onrecht en machtsmisbruik van vorsten te bekritiseren. Dit is de achtergrond van het Bathséba verhaal. en de strategie van het opnemen van dit verhaal in het David geheel.

Het verhaal leert ons dat we bij God vergeving kunnen vinden. Het is een illustratie van wat we hoorden uit de Bhagavad Gita.

Als we iets gedaan hebben waar we ons schuldig over voelen kunnen we bij God terecht. Maar in deze uitspraak zit wel een valkuil. Als een vader die zijn dochter heeft misbruikt zegt: ik heb het voor de Heere gebracht en Hij heeft mij vergeven, dus jij kunt me nu ook vergeven, is dat een nieuw misbruik: het is misbruik maken van een vergevingsgezinde God. De uitspraak ‘Jezus is voor onze zonden gestorven’ draagt het risico in zich dat je je dan zelf niet meer verantwoordelijk voelt voor wat je anderen hebt aangedaan. God heeft je vergeven, en als mensen je dan niet kunnen vergeven, dan zijn die mensen fout. Zo kan de dader tot slachtoffer worden en het slachtoffer in de beklaagdenbank terecht komen.

Bij God is vergeving te vinden – dat gaat dan om een zaak tussen God en de persoon zelf. Tussen je eigen geweten, inclusief je menselijk falen en je eigen geschiedenis die daaraan vooraf ging. Maar dat laat onverlet dat er ook nog iets zit tussen je medemens die je iets aangedaan hebt en jezelf.

Allah is Vergevingsgezind, Genadevol

zo lezen we in de Koran.

In deze tekst wordt ook opgeroepen te vergeven en over het hoofd te zien, en te geven van je rijkdommen en overvloed aan verwanten en behoeftigen. Dat is een oproep die in deze tijd van groot belang is. Dat wij als rijke westerse landen van onze rijkdommen geven aan arme en behoeftige landen. Een oproep om vergevingsgezind te zijn en te delen van onze welvaart, zodat de voorwaarden voor een duurzame vrede in de wereld kunnen worden gecreëerd. Vergeven is ook op wereldschaal van belang.

God is Genadig, Hij is Vergevingsgezind. Maar: in het Oude Testament en ook in de Koran is er ook sprake van een wrekende God. Hoe moeten we dat zien?

Wanneer je een berg beklimt, heb je onderaan nog weinig uitzicht. Je ziet de mooie natuur om je heen, maar je zit soms nog in de schaduw en ziet nog niet de weidse omgeving, het schone vergezicht. Op de top van de berg zie je de totaliteit, het geheel. Dan heb je een allesomvattende blik.

De Godsbeleving in het Oude Testament en in de Koran is vaak nog de beleving dicht bij de grond. Het Licht van God wordt wel gezien, maar het wordt gezien vanuit het eigen standpunt. Jahwe of Allah worden gezien als hun God, de God van het uitverkoren volk. Maar hoe hoger je klimt, des te meer zie je de universaliteit van God. En op de top van de berg aangekomen zie je de Al-omvattendheid waarover de Bhagavad Gita spreekt, de Goddelijke Zijnsgrond van al wat is. Vanuit dat perspectief gezien kunnen we Gods al-omvattende liefde aanschouwen. Dan zien we de Genadevolle, Vergevingsgezinde God, dan zien we de universele essentie, namelijk dat God enkel LIEFDE is. Liefde is de essentie van God, en die is Al-omvattend.

Conclusie

Het antwoord op de eerste vraag die we ons gesteld hebben is: ‘Ja, Van God uit is er nooit een tekort aan vergeving. God heeft ons liefgehad voordat wij hem lief hadden. Het is de vraag of de mens dit altijd beseft. Immers: dat hangt er van af hoe ver de mens gevorderd is bij het beklimmen van de berg. Maar onafhankelijk daarvan is de Eeuwig Zijnde, die alleen maar IS.

II. Vergeving in de relatie tussen mij en de ander

Hoe werkt vergeven tussen mensen en kunnen we iedereen vergeven die ons iets heeft aangedaan?

Uria was niet in staat om David te vergeven, hij was vermoord; dat geldt ook voor de Joden die in dat huis waren opgesloten. Het kan ook zijn dat degene die jou iets heeft aangedaan, of degene die jij kwaad hebt berokkend, inmiddels is overleden. Je had bijvoorbeeld nog met je ouders over bepaalde zaken willen praten, maar dat kan niet omdat ze er niet meer zijn.

Maar soms is vergeven ook niet mogelijk als de persoon om wie het gaat er nog wel is. De pijn kan er te hevig voor zijn. Of de persoon om wie het gaat erkent zijn eigen aandeel niet.

Vergeven komt in het dagelijks leven aan de orde wanneer er onrecht is geschied. Laten we uitgaan van een hedendaags voorbeeld, dat maakt het concreet. Stel je werkt samen met een collega. Je meent dat er sprake is van een goede samenwerking, al is er natuurlijk altijd wel eens wat. Tegenwoordig horen functioneringsgesprekken ook bij het werk. Je hebt ook goed contact met je chef, het werk gaat je goed af, dus tegen zo’n functioneringsgesprek zie je niet op. Je weet dat er een eervolle opdracht aan komt, je chef heeft al door laten schemeren dat die voor jou is. Maar tijdens dat gesprek merk je dat het anders gaat dan verwacht. Er worden vragen gesteld die je niet kan plaatsen. Het vanzelfsprekende vertrouwen dat er was blijkt plotseling ter discussie te staan. Naderhand merk je dat je collega, waar je goed mee samenwerkte, die opdracht heeft gekregen. Hij kijkt wat schuw naar je en praat er niet over. Je gaat voorzichtig een verband leggen. Hebben die twee wat met elkaar besproken?

Van een andere collega hoor je dan dat er over je geroddeld is. Dat die goede collega jou het goede functioneren niet zo gunde en zichzelf wilde profileren ten koste van jou. Hij wilde met de eer gaan strijken en de opdracht krijgen die voor jou was bedoeld. Geschonden vertrouwen. Hoe nu verder, met die collega en je chef?

In het document 'De kunst van het leven' op deze website valt hierover meer te lezen.

Fasen die zich voordoen bij geschonden vertrouwen en de weg die tot vergeving leidt

Dan nu terug naar de vragen uit de inleiding. Iemand heeft je gekwetst en je kunt het niet vergeten. Je verdiende de pijn niet, de pijn was intens, zo intens dat je het nog steeds voelt, dat het in je geheugen gegrift staat. De pijn komt steeds omhoog als je er aan denkt of de persoon ziet die het betreft.

Wat is het proces dat zich voordoet wanneer we zo gekwetst zijn en ons vertrouwen geschonden is? En hoe kunnen we vanuit het geschonden vertrouwen de weg opgaan die tot vergeving en verzoening kan leiden?

Hierna zijn de fasen weergegeven die zich voor kunnen doen bij een dergelijk proces.

  1. Verdoving

Eerst is er de verdoving. Je kunt en wilt het niet geloven. Je gevoel is verdoofd, je voelt (nog) geen pijn. Langzaam dringt de waarheid echter tot je door. Je ontwaakt uit de verdoving.

  1. Haat

Wat dan volgt is woede en haat. Het is een fase die hoort bij het proces dat tot vergeving kan leiden, maar je bent nog lang niet tot vergeven in staat. De pijn die je voelt is persoonlijk en diepgaand, het is oneerlijk wat je is aangedaan. Het is persoonlijk, want het is specifiek jou aangedaan. En het is diepgaand. Een beetje gekwetst worden hoort bij het leven. We voelen soms onvermijdelijke pijn, alleen door het feit dat we kwetsbare mensen zijn en we soms per ongeluk op elkaar botsen. Elke dag lopen we wel bulten en schrammen op. Daar leer je wel mee omgaan, als je dat niet doet heb je geen leven. En de aangedane pijn is oneerlijk omdat je  het niet verdient; er is onnodig met je gesold. We ervaren de pijn als een oneerlijke aanval.

Wanneer je deze driedimensionale pijn voelt heb je een wond die alleen genezen kan worden door degene die jou verwond heeft te vergeven. Maar je bent niet gelijk zo ver.

De eerste, natuurlijke reactie is: woede, haat. Haat is een natuurlijke reactie op elke diepgaande en oneerlijke pijn. Haat is ons instinctieve verzet tegen iedereen die ons op een oneerlijke manier verwondt.

We kunnen passieve haat voelen, de wrok die ons de energie ontneemt om de ander het beste te wensen. Je probeert het aan de oppervlakte nog goed te houden, maar vanbinnen voel je afstand, voel je woede. Er kan ook agressieve woede zijn, dat je de ander het ergste toe wenst.

De haat kan ook exploderen tot een knallende ruzie, tot een conflict, zelfs tot lijfelijk fysiek geweld. Haat kan iemand aanzetten tot moord.

Het merkwaardige is dat haatgevoelens vaak gericht zijn op personen die ons nabij zijn. We spreken soms van een liefde-haat verhouding. Als degene waar het om gaat je onverschillig zou zijn, dan zou de pijn niet zo intens zijn. We kunnen iemand die we intens haten tegelijk intens liefhebben.

  1. Wraak

Wat doet de haat met ons? We willen wraak. Haat is kwaadaardig, gevaarlijk, het is een gif dat dodelijk kan zijn. Het gevaar is aanwezig dat we de haat voeden door ons te willen wreken. Wraakgevoelens kunnen ontluikende mildere gevoelens wegdringen, omdat we de haat vast willen houden en wat ons is aangedaan betaald willen vergelden. Zie de Gayan:

Verlangen naar wraak
Is als verlangen naar vergif

Haat reist met je mee, je houdt het vast, het onrecht was zo groot dat je het niet kunt vergeten, je eist genoegdoening, schulderkenning, en zo lang dat niet gebeurt blijft de haat en de wrok aanwezig. Jij staat immers in je gelijk, en dat gelijk kan je niet loslaten. Met als gevolg dat niet meer die collega jou pijnigt, maar dat je jezelf pijnigt.

De zucht naar genoegdoening, naar in het gelijk gesteld willen worden, en de zucht om wraak als dit niet gebeurt, kan als een kankergezwel in ons woekeren.

Als je dit beseft zie je ook dat het doorgaan op deze weg heilloos is. Want die ander is soms (vaak)  niet bereid om toe te geven, zeker niet als je zelf nog in de fase van de haat en de wraak bent.

Boosheid

Haat is iets anders dan boosheid. Boosheid zet aan om de dingen ten goede te veranderen. Zet aan om een gesprek te hebben met je collega en je chef. Vertel eens, hoe komt dat nou, ik zou die opdracht toch krijgen?

Haat zet aan tot wraak, tot het betaald zetten, tot sabotage. Via een slinkse weg weet je de opperchef te bereiken, waarvan je weet dat die niet zo goed met je chef op kan schieten, en je vertelt hem bepaalde dingen die je anders achter zou houden. Die vertel je nu en je dikt ze aan. En je probeert er voor te zorgen dat die collega, die de opdracht krijgt, mislukt in de uitvoering. Je werkt niet mee, maar probeert er voor te zorgen dat het mislukt, je kent immers de zwakke kanten van die collega. In plaats van je in te zetten om die zwakke kanten te compenseren, wat je vroeger deed, zal je nu proberen die zwakke kanten nog zwakker te maken, hem de verkeerde kant op te sturen.

Tot nogtoe hebben we ons bezig gehouden met onze gevoelens ten aanzien van 'de ander' die ons vertrouwen schond. We komen echter op een gegeven moment toe aan onszelf. De derde centrale vraag komt aan de orde:

III. Vergeving in de relatie tussen mij en mezelf

  1. Aanvaarding

Dan komt het moment van aanvaarden. Aanvaarden dat het gebeurd is zoals het is gebeurd, het is niet terug te draaien. De gebeurtenis heeft plaats gevonden, de pijn heb je gevoeld en voel je wellicht nog steeds. En het is hard, maar het leven maakt je duidelijk: je kunt niet terug, je moet verder.

Als de waarheid doordringt dat het niet ongedaan gemaakt kan worden, als we de onomkeerbaarheid aanvaarden van wat er gebeurd is, dan wordt het duidelijk dat je verder moet en dat je zult moeten loslaten wil je ontsnappen aan de zelfpijniging.

Het begin van vergeven is: het loslaten van de hoop op een beter verleden.

Voor een verdere verdieping in het begrip aanvaarden wijs ik op twee documenten op deze site:
Een beschouwing door Dr. Scharff
Teksten uit heilige boeken over 'aanvaarden'

5.      Zelfgenezing

Als we de wet van de weldadigheid toepassen kunnen we tot zelfgenezing komen. Om dit te kunnen is het nodig dat we ons eigen innerlijk proces los maken van de ander die het ons aandeed. Het is belangrijk ons te richten op onszelf, ons eigen innerlijk. Daarvoor kan het gewenst zijn om ook letterlijk afstand te nemen van die ander; als het een persoon uit de naaste omgeving is kan het beter zijn om een tijdje uit elkaar te gaan, zodat je aan jezelf toe kan komen.

In een dergelijke situatie lijkt er een onontwarbare kluwen te zijn van gevoelens waarin de persoon van die ander, datgene wat je is aangedaan en je eigen emoties en haatgevoelens zo met elkaar verwezen zijn dat je niet helder kunt denken. Het is nodig dat we die kluwen uit elkaar halen en dat we bij onszelf plaatsen wat bij ons hoort en bij die ander plaatsen wat bij die ander hoort. Van belang is dan dat we eerst onszelf onderzoeken, en dat we onze aandacht afwenden van die ander. Als je je blijft richten op die ander houd je de haat vast die je belemmert om tot een oplossing te komen.

Het eerste dat dan belangrijk is, is dat we onszelf vergeven. Wat heb je dan jezelf te vergeven? Dat je jezelf niet kwalijk neemt wie je bent, wie je geworden bent, de keuzen die we hebben gemaakt, de fouten die we hebben begaan, de pijn die je anderen en jezelf hebt berokkend. Alles wat je anderen aandeed of meende aan te doen. Je ouders, broers, zussen, je (ex-)partner, je vrienden, collega’s, enz. We slaan alles in ons geheugen op, maar we verdringen veel. Vanuit het onbewuste kunnen er allerlei zaken ons belemmeren in het ons vrij voelen tegenover anderen. En als dan iemand precies het gebied raakt waar we onszelf dingen kwalijk nemen, dan zijn we geraakt, voelen we pijn.

Bijvoorbeeld: je voelt je afgewezen en bewust of onbewust voel je je daar schuldig aan, denk je dat het (ook) door jou komt. Dat je die afwijzing verdiende. Anderzijds wil je dit schuldgevoel niet en verdring je het.

Maar als je dan in de steek gelaten wordt door je (ex-) partner, komt dat schuldgevoel, die pijn weer omhoog. Het is onze pijn, maar we projecteren het op degene die de pijn weer opriep.

Zelfgenezing is dat we onszelf vergeven. Dat we mild zijn voor onszelf, en onze neiging tot zelfstraf loslaten. We zijn wie we zijn en maken deel uit van het Goddelijke plan. We zijn niet volmaakt, maar daarom zijn we juist op deze wereld. Het leven is onze leerschool. Als we onszelf vergeven kunnen we onze eigen schuldgevoelens loslaten en open staan voor de volgende stap. Ten diepste kun je een ander pas vergeven als je eerst jezelf hebt vergeven.

  1. Nieuw inzicht

Langzaam kan er een proces tot stand komen waarbij je de persoon die het je aandeed los kan maken van de pijn die je hebt. We gaan dan het onderscheid zien tussen hen als persoon en datgene wat ze ons aangedaan hebben. En we gaan hen die ons pijn deden zien als degene die ze werkelijk zijn: zwakke, behoeftige, feilbare mensen. Als we de persoon en de gebeurtenis kunnen loskoppelen, dan kan een nieuw inzicht ontstaan, een nieuw gevoel. Onze herinnering kunnen we op die manier bevrijden van het geketend zijn aan de persoon die ons het kwaad aandeed en van wie we verwachten dat die het ongedaan maakt. We kunnen ons bevrijden van de macht die de ander nog over ons heeft omdat we zelf die macht aan die ander geven. Door de persoon los te maken van de gebeurtenis kunnen we de ander los gaan zien van de pijn en de angst. Je gaat de ander zien als iemand die last heeft gehad van zijn eigen strevingen.

Je gaat zien dat die ander een ego heeft dat hem de verkeerde kant op heeft gestuurd, maar je ziet ook in dat er in die ander meer is dan dat ego.

Niet vergeven betekent dat je besluit te lijden.

 

Vergeven is niet hetzelfde als begrip hebben voor de ‘verzachtende omstandigheden’ waardoor die ander tot zijn daad kwam. Zo wordt als verzachtende omstandigheid genoemd: “Hij heeft een moeilijke jeugd gehad”. Dergelijke informatie kan zeker leiden tot begrip, maar dat begrip is verstandelijk. En de pijn zit in je gevoelen, en dat is door een dergelijk begrip niet weg te poetsen. Ondertussen is het je aangedaan. Ook al kunnen er omstandigheden zijn wardoor iemand tot een daad komt die jou pijn doet, dan nog blijft die ander verantwoordelijk voor zijn daden. Je kunt je niet verschuilen voor die verantwoordelijkheid.

Wel kan het er toe leiden dat je begint te beseffen dat wat die ander deed te maken heeft met zijn met zijn eigen levenssituatie, met zijn eigen ego, zijn eigen onwetendheid. Misschien was hij zo bevangen door zichzelf dat hij onwetend was over wat hij je werkelijk aandeed. Maar dergelijk begrip kan zelfs het vergeven in de weg staan. Het kan zijn dat je dan een schaamtegevoel hebt, zo van: hij heeft het zo moeilijk gehad, ik laat het er maar bij zitten. En je onderdrukt de pijn en haatgevoelens, en bestendigt die. De pijn blijft in je aanwezig, krijgt geen kans om geheeld te worden. Ook al heb je begrip voor de ander gekregen, dan nog is het belangrijk het gevoel te voelen dat er is naar die ander, zonder het te voeden. Door die pijn en woede heen gaan en deze erkennen als echt en oprecht is nodig om er van af te komen.

Begrip kan echter wel helpen om het onderscheid tussen de persoon die het je aandeed en de oneerlijke daad die je die pijn gaf te onderscheiden.

Zo kan het gebeuren dat je een zekere bevrijding voelt vanbinnen, dat je scherpe gevoelens van haat niet meer gekoppeld zijn aan die persoon die het je aandeed. Dat is een teken dat het proces van vergeving gaande is. Het is dan belangrijk om de haat- en wrokgevoelens niet vast te houden, het kwaad niet te voeden, maar ook werkelijk los te laten. Het verzet voedt het kwaad; het niet bestrijden heeft tot gevolg dat het zichzelf opbrandt.

Jezus zei, toen hij aan het kruis was genageld: Vader, vergeef het hun want ze weten niet wat ze doen. Dat is de kern bij het vergeven: ze deden iets en ze weten niet werkelijk wat ze hebben aangericht.

Je gaat steeds meer zien dat die ander handelde vanuit zijn ego, en zelfs kun je gaan zien dat zowel die ander als jij last hebben van hetzelfde. Die ander heeft namelijk ook onherroepelijk last van zijn egostreven. Als je vol wrok en haat naar hem kijkt stijf je hem in zijn kwaad, zoals de Gayan zegt:

Door een ander van zijn fout te beschuldigen stijft ge hem er slechts in.

Het punt is dat we, wanneer we nog in de haat- en wraakfase zitten, van de ander genoegdoening verwachten, maar dat we die hoogst waarschijnlijk niet zullen krijgen omdat we de ander dan vasthouden aan zijn eenmaal ingenomen standpunt en gedrag.

Vergeving is het los kunnen laten van alle hoop op een beter verleden …

De kern van vergeven is dat het plaats vindt in het hart van de vergever. Vergeving kan werkelijk plaatsvinden, zelfs al bereiken we nooit de te vergeven persoon. We kunnen namelijk vergeven en vrij zijn in onze eigen herinneringen.

7. Verzoening

Herstel van de relatie is bij diepgaand leed maar zelden mogelijk. In het Bijbelverhaal van Jakob en Ezau vindt er een verzoening plaats, maar beide gaan toch hun eigen weg, los van elkaar. Er was te veel gebeurd. 

Het mooiste is echter wanneer het tot een verzoening kan komen. Maar verzoening kan alleen als de ander ook over de brug komt, en zich daarbij open stelt voor zijn rol in wat er gebeurd is. Dat hij luistert naar wat je is aangedaan en meevoelt met de pijn die jij voelt. Volledig voelen wat jij hebt gevoeld zal niet kunnen. Oprechtheid van twee kanten is dan nodig, want ook je eigen aandeel, de erkenning van je eigen zwakke punten, moet aan bod kunnen komen. Erkenning van de eigen fouten en tekorten maakt zo’n ontmoeting zacht, de harde kantjes gaan er vanzelf af. Een oprechte vereniging kan pas als het basisvertrouwen weer is hersteld. Niet alles hoeft altijd uitgesproken te worden.

Aan de blik van de ander, aan zijn stem, zie en hoor je hoe het met de ander is gesteld, of de toon oprecht is. Als je elkaar open en eerlijk in de ogen durft te kijken kan een hernieuwde start gemaakt worden, maar je kunt niet verder gaan alsof er niets is gebeurd. Vergeven is niet: vergeten. Wel kun je genezen zijn van de pijn die je eerst voelde en van de haat die er was naar de ander.

Ons genezingsproces in dit leven is altijd onvolledig. Niemand komt er volledig genezen uit. Soms mag een ernstig getraumatiseerd persoon blij zijn als hij in staat is een beetje vergeving te schenken, een beetje begrip op te brengen voor de ander en zichzelf. Een beetje kan voor God heel veel zijn.

Soms ook is het nodig om naar de ander toe een scherm vast te houden, om jezelf te beschermen tegen nieuwe pijn. Los van die ander kan je hart dan wel genezen zijn, maar als die ander volhardt in zijn houding en niet bereid is met je mee te gaan op de weg van de vergeving, dan is afstand houden geboden. Je hoeft niet over te gaan tot zelfkwelling: dat heb je achter je gelaten toen je de fase van de haat en wraaklust voorbij was.

8.      Zingeving

Tenslotte kan het zijn dat je de zin gaat inzien van het gebeurde. Uiteindelijk maakt alles deel uit van het goddelijk plan. Het was misschien een levensles voor je, die je niet wilde, maar die je nodig had. Maar dat zie je pas achteraf, soms heel veel later. Op het moment dat je er midden in zit wil je hier niet van weten, dan voel je nog te veel de pijn.

Wie inzicht heeft in dit goddelijke plan kent het derde stadium van de Morele Evolutie. Dit is het stadium van het allesomvattende inzicht.

Morele evolutie

In zijn boek Morele evolutie geeft Hazrat Inayat Khan praktische aanwijzingen over hoe we het ideaal van harmonie kunnen realiseren in ons dagelijks leven. Evolutie duidt op innerlijke groei, het gaat niet om starre voorschriften. Hij stelt dat de mens zich in drie stadia van morele evolutie kan bevinden. In welk stadium hij verkeert hangt af van de mate waarin hij zich verbonden voelt met de anderen. Het zich van anderen afgescheiden voelen is kenmerkend voor de eerste fase, waarin de wet van de wederkerigheid heerst: oog om oog, tand om tand. De mens die zich in het tweede stadium bevindt heeft het gevoel dat, hoewel hij nog leeft vanuit een gevoel van gescheidenheid, er door hemzelf en anderen een verbindingskoord loopt, waardoor alle mensen met elkaar verbonden zijn. Deze mens is toe aan de wet der weldadigheid, die richtlijn voor zijn handelen kan worden. Deze wet houdt in: de weldadigheid die je aan anderen bewijst ontvang je zelf terug. In dit stadium begrijpt de mens dat de psyche te vergelijken is met een spiegelpaleis. Daarom draagt de mens er in dit stadium zorg voor dat hij alleen lieflijke en vriendelijke gevoelens uitstraalt, zodat die vibraties ook weer bij hem terugkomen. Het psychologische advies is dan ook om onze psyche altijd op de goede kant van dingen, mensen en situaties te richten. De mens die zich in het derde stadium van de morele evolutie bevindt ervaart een verbondenheid van allen met allen, een besef van éénheid met al wat is. De wet die in dit stadium van toepassing is, is de wet der verzaking (zelfverloochening). Deze wet kan niet geleerd worden uit boeken of door mondelinge overlevering: het leven zelf onderwijst deze wet. Het houdt in dat alles met alles samenhangt. Dit stadium is het stadium dat de mysticus heeft bereikt, die vanuit een innerlijk besef van eenheid met de schepping als het ware ‘vanzelf’ de wet der weldadigheid toepast. Hij is onthecht aan de wetten van het ego en is in staat zijn begeerten te verzaken. Hij volgt de impulsen van het ego niet, maar is meester van zichzelf.

Hij begrijpt de woorden van de Gayan: 

Niemand zal in het leven ervaren wat niet voor hem is bedoeld. 

Alle situaties in het leven zijn proeven die het echte en het onechte aan de dag leggen.

Conclusie

Het antwoord op de tweede  en derde vraag is: vergeving kan, bezien vanuit jezelf, altijd plaatsvinden, het vindt namelijk plaats in je eigen hart. Als we bereid zijn die weg te gaan is vergeven in principe mogelijk. Nodig is echter eerst de haat- en wraakgevoelens los te laten; dan pas kunnen we ons richten op de genezing van ons eigen hart. Het kan tijd kosten, het kan lang duren, maar in principe kan het. Het vergeven van jezelf is mogelijk en het vergeven van de ander, dat in je eigen hart plaatsvindt is ook mogelijk. Verzoening is echter niet altijd mogelijk, daarvoor ben je afhankelijk van het inzicht en de bereidheid van de ander.

V. Slot 

Het wonder van de vergeving kan niet afgedwongen worden, het is een genade als het gebeurt. Maar als de ander er niet ontvankelijk voor is kan dit betekenen dat we genoegen moeten nemen met de vergeving die in ons hart plaats vindt, zonder dat we ons met de ander verzoenen. Als we bevrijd zijn van de haat en de wrok en we in ons hart de ander hebben kunnen vergeven, dan kan dat leiden tot het aanvaarden van het feit dat de verzoening (voorlopig?) niet kan plaatsvinden. Hoe verzoening plaats kan vinden zien we tenslotte in twee verhalen.

Tenslotte: twee verhalen over een verloren zoon: een uit het Boeddhistisch geschrift, een uit het Christelijk geschrift. In beide verhalen is er sprake van een zoon die van huis is weggereisd en in beide verhalen raakt de zoon aan lager wal. In het Christelijk geschrift staat dat de zoon zijn erfenis, die hij op voorhand had opgeëist, verkwistte. In beide verhalen keren de zonen weer terug naar hun vader. In het boeddhistisch geschrift staat niet dat de zoon naar zijn vader terugkeerde, in het christelijk geschrift is dat wel het geval. En we zien twee vaders, die ieder op hun eigen manier hun zoon weer in genade aannemen. In het boeddhistisch geschrift staat dat de vader dit nog niet direct deed: zijn zoon had nog een les te leren. Die zoon kwam ook niet direct uit eigener beweging naar zijn vader. Het geschrift eindigt met de woorden: ‘Zo moet de geest der mensen langzamerhand bereid worden voor hogere waarheden’.

De vader van de verloren zoon uit het christelijk geschrift stond op de uitkijk, zijn vader zag hem al van ver aankomen. De zoon zei: vader, ik ben het niet waard uw zoon genoemd te worden, laat me uw knecht zijn. Maar de vader wilde daar niet van weten, liet schone kleren brengen, deed hem een ring aan zijn vinger en schoenen aan zijn voeten en liet het gemeste kalf slachten, want: ‘mijn zoon was dood en is weer levend geworden, hij was verloren en is gevonden’….

De terugkeer van de verloren zoon
(Rembrandt, 1665)

Dit verhaal toont ons het wonder van de vergeving. Er is geen vraag naar het waarom, geen wrok, geen haat om het verkwisten van het erfdeel. Er was een volkomen verzoening. De vader had het zijn zoon al lang vergeven, stond op de uitkijk, wachtte op hem. De zoon was zich van zijn gedrag bewust en beleed zijn schuld, de vader had de oprechtheid in de ogen van de zoon gezien en ontfermde zich over hem.

Gayan:

De liefde die zich uit als verdraagzaamheid,
Als vergevingsgezindheid,
Die liefde heelt de wonden van het hart.

Vergeving is het pad naar innerlijke vrede en geluk, het pad naar onze ziel, het pad dat ons naar onze spirituele essentie brengt en naar het hart van God. Vergeving is de weg van de duisternis naar het Licht, bevrijdt ons van onze angst en woede en laat ons voelen dat we één zijn met elkaar en met onze spirituele Bron. Het is geen vanzelfsprekendheid, daarom willen we vanuit dit besef bidden:

‘Leer ons uw liefdevol vergeven’.

VI. Bronnen

Naast de in de tekst genoemde Heilige Boeken zijn geraadpleegd:

Hazrat Inayat Khan: Morele evolutie

H.J. Witteveen, Universeel Soefisme

E. Keesing: Soefisme in het dagelijks leven

H. Nouwen, Eindelijk thuis

N. ter Linden, Het verhaal gaat…

L. Smedes, Vergeven is genezen (1998, Callenbach)

J. Kirsch: Koning David

Een cursus in wonderen